De vuursteenknol van Hoogkerk
Erfgoed Groningen, archeologisch depot

Het recreatiewater de Ruskenveenseplas is tot stand gekomen bij de aanleg van een nieuwbouwwijk in Hoogkerk. Voor de aanleg van Ruskenveen, een uitbreidingsplan van de gemeente Groningen, is in de jaren 1996 tot en met 2000 uitgebreid archeologisch onderzoek verricht. Daarbij is een kampement van rendierjagers van omstreeks 11.000 v. Chr. gevonden.

Het kampement werd gevonden op een ‘zandbult’ van slechts enkele meters hoog in het landschap, voor jagers-verzamelaars in de oude steentijd een aantrekkelijke plek om te bivakkeren door het goede uitzicht over de omgeving. In het landschap stonden in die tijd nagenoeg geen bomen. Aan weerszijden van de hogere zandrug groeiden wat grassen en kruiden en hier en daar een kleine berk.

De vondsten bestonden uit afval van het maken van vuurstenen werktuigen, verspreid over een oppervlakte met een paar meter doorsnede. De vuurstenen zijn goed bewaard gebleven in de zandbodem; botten en andere dierresten zijn vergaan. Er zijn ook granieten en zandstenen gevonden, waarschijnlijk resten van een haardplaats. De granieten lagen in het centrum van de plek met vuursteenfragmenten. Het waren de platen waarmee de haard was gemaakt: ‘haardstenen’. Er zat een aantal zeer platte stenen bij, waarop vlees of vis zal zijn gegrild. Het kampement was waarschijnlijk aangelegd in de open lucht, in het voorjaar of het najaar, de perioden van de rendiertrek.

Jagers-verzamelaars waren nomaden. Ze waren afhankelijk van de migratie van kuddes rendieren waar ze op joegen. Het vlees diende als voedsel, de huiden voor kleren, de botten voor werktuigen of zelfs kunstvoorwerpen. In het landschap vonden ze vuursteenbrokken ('knollen') waar ze werktuigen van maakten: mesjes, schrabbers (schrapers) voor huidbewerking, pijlpunten of ander gereedschap. Wanneer ze verder trokken, lieten ze de restproducten liggen.

Vuursteen is een goed te bewerken steensoort. Je zou het ‘het staal van de steentijd’ kunnen noemen. De rendierjagers verzamelden deze vuursteenknollen om ze te bewerken. De grootte varieerde van enkele centimeters tot wel 4 decimeter. De vuursteenknollen werden ter plekke in stukken geslagen. Rond het kampement zijn verschillende langwerpige afgespleten stukjes gevonden, 'afslagen' of 'klingen'. Een bijzondere vondst was een vuurstenen kern waarop die afslagen en klingen weer gepast konden worden.

Met die vlijmscherpe afslagen kon gesneden worden, maar er werden ook pijlpunten of andere werktuigen van gemaakt. Die werktuigen passen in de zogenaamde ‘Ahrensburg-traditie’, waarvan behalve in Nederland ook vindplaatsen bekend zijn in Duitsland, België, het zuiden van Scandinavië en in Groot-Brittannië.

Rendierjagers zullen niet vaak andere mensen hebben ontmoet. Aan het einde van die ijstijd waren er in heel Noordwest-Europa misschien nog vijf- tot tienduizend rendierjagers die in groepjes leefden, groepjes die weer onderdeel uitmaakten van een grotere groep. Ze hadden waarschijnlijk op bepaalde momenten van het jaar contact met andere groepen om informatie uit te wisselen.

Tekst: Albert Buursma, gebaseerd op een interview met Marcel Niekus door Mathijs Deen

Podcast

Hoge resolutiefoto's Download object

Deze pagina delen facebook twitter pinterest Embed