Aardewerk van de ‘gefrustreerde’ wierden van Paddepoel
Noordelijk Archeologisch Depot, Nuis

Voordat de wijk Paddepoel, noordwestelijk van de stad Groningen, in 1964 werd aangelegd, werd er archeologisch onderzoek gedaan. Er werden vier sleuven gegraven, waarin verschillende kleine wierden en andere bewoningssporen uit de late ijzertijd en de Romeinse tijd (200 v. Chr.-250 n. Chr.) bleken te liggen.
Tijdens de aanleg van transportbuizen voor een stedelijk warmtenet in 2019 en 2020 kwamen opnieuw dergelijke sporen aan het licht.

De wierden van Paddepoel bevonden zich vroeger in een nat kweldergebied tussen de rivieren Hunze (noordelijk) en Aa (zuidelijk). Ze lagen op de overgang naar het veengebied, dat de noordelijke kwelders scheidde van de zuidelijk gelegen binnenlandse zandgronden, met een uitloper van de hoger gelegen zandrug de Hondsrug. Wie naar het noorden ging belandde in de kwelders.

Paddepoel lag dus op de grens van een zand-, veen- en kleigebied, bij een kruispunt van land- en waterwegen. Het gebied was tot in de late middeleeuwen een onbedijkt landschap: een weidse, boomloze kustvlakte, deels onderhevig aan de grillen van eb en vloed en doorsneden met prielen en enkele rivieren. Alleen door het opwerpen van wierden was het gebied nog redelijk bewoonbaar.

De eerste bewoningsfase ontstond rond 250 v. Chr. en bestond mogelijk uit zogenaamde ‘vlaknederzettingen’, bewoning direct op het toenmalige kwelder in plaats van op een hoger gelegen wierde. In de jaren daarna werden kleine, lage, rechthoekige wierden (‘huispodia’) aangelegd om mensen en dieren te beschermen tegen het water en de natte grond. Deze huispodia hadden een hoogte van maximaal 1 meter. Ze werden waarschijnlijk in één keer opgeworpen door het stapelen van (gras)zoden. In de loop van de jaren werden ze nog wat zijn opgehoogd door mest- en afvallagen. Op een huispodium stonden meestal één of twee woonhuizen met inpandige stal. Daarnaast was er vaak een bijgebouw, bijvoorbeeld een ‘spieker’, voor het opslaan van graan.

De huispodia van Paddepoel ontwikkelden zich niet tot de 3 tot 5 meter hoge wierden en terpen zoals we ons die meestal voorstellen. De bewoners trokken weg voordat de wierden die hoogte konden bereiken door het stapelen van laag op laag afval en mest. Daarom werden ze door de archeoloog en opgravingsleider in Paddepoel W. A. van Es ook wel ‘gefrustreerde’ terpen genoemd.

Bij de opgraving in 1964 werden onder meer dierlijke botten en resten van aardewerk gevonden. Het aardewerk werd vooral gebruikt voor het bewaren, bereiden en opdienen van voedsel. Het meeste is lokaal vervaardigd, handwerk waarin de invloeden van de meer oostelijk (bij de Eems) levende Chauken herkenbaar zijn. Ook werd er geïmporteerd Romeins aardewerk gevonden, waaronder het zogenaamde ‘terra sigillata’: roodgekleurd en gestempeld aardewerk. Dat was nooit compleet, het waren alleen scherven die mogelijk als souvenir zijn meegenomen of bewaard door de bewoners uit die tijd.

Een bijzonder bot is dat van een walvis die waarschijnlijk in die tijd aangespoeld is op het strand. Het bot is deels bewerkt. Mogelijk gaat het hierbij om een soort halffabricaat, bedoeld voor een gebruiksvoorwerp, sieraad of amulet.


Tekst: Albert Buursma, deels gebaseerd op een interview met Amy Kuiper door Mathijs Deen;

Podcast

Loop en/of fietsroute naar vindplaats

Hoge resolutiefoto's Download object

Deze pagina delen facebook twitter pinterest Embed