Het heerlijke leven in Groningen

Het dagelijkse leven van de Groninger adel van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw.

Van schuilplaats naar woonplaats

De adel en rijkelui van Groningen woonden eeuwenlang comfortabel in statige landhuizen, ‘Borgen’ genoemd. Veel van deze borgen zijn oorspronkelijk als steenhuis begonnen. Steenhuizen waren versterkte gebouwen van baksteen, bedoeld om bescherming te bieden tegen aanvallen.

Na de tachtigjarige oorlog (1568 – 1648) werd Groningen vanuit een strategisch oogpunt steeds minder interessant. Bovendien boden de stenen muren – bedoeld om bescherming te bieden tegen middeleeuwse wapens – bar weinig bescherming tegen het kanon. De nadruk kwam te liggen op het wooncomfort. Schietgaten werden statige ramen en slotgrachten werden deel van de versiering van het huis.

Door hervormingen na de Franse Revolutie verdween in de loop van de negentiende eeuw een groot deel van de Groninger adel. Veel borgen werden afgebroken of bleven verlaten en vervallen achter. Hun manier van leven bleef echter bestaan: rijke boeren in Groningen konden zich een leven van weelde veroorloven, net zoals de adel. Sommige borgen werden zelfs door deze nieuwe rijkelui van de ondergang gered en getransformeerd tot een statige herenboerderij.

In deze tentoonstelling wordt u meegenomen langs de overblijfselen van het luxe leven in Groningen. U wordt getoond hoe het was om te leven op stand in Groningen.

Weelderig wonen

Hoe de borgen er in het verleden daadwerkelijk van binnen uit hebben gezien weten we niet. Van voor de zestiende eeuw weten we vrijwel niets. Van latere periodes kunnen we een goede inschatting maken. Door middel van portretten en schilderijen weten we ongeveer hoe de borgen waren ingericht en hoe deze er in het verleden aan de buitenkant uit hebben gezien. Door onder andere objecten die bewaard zijn gebleven weten we hoe de borgbewoners hebben geleefd, gegeten en geslapen.

Het huishouden werd uiteraard niet gedaan door de bewoners van de borg. Hiervoor hadden zij bediendes in dienst. Koks, tuiniers en kamermeisjes waren druk in de weer om te zorgen dat de bewoners van alle gemakken voorzien waren. In sommige gevallen woonden hele families van bedieningspersoneel op de borg, onzichtbaar voor de borgheer en zijn familie. Privacy werd streng in acht genomen, door zowel de bediening als de bewoners.

Een baboesjka van borgen.

In de Menkemaborg staan en hangen diverse objecten die afkomstig zijn van andere borgen. Een fraai voorbeeld is het olieverfportret, voorstellende de familie Wijchgel van Lellens. Het meet 2.50 meter hoog en is geschilderd door Gerardus De San in 1796. Het doek is bijzonder vanwege de afmetingen en de voorstelling én omdat het gecombineerd is met dezelfde stoelen die op het schilderij zijn afgebeeld.

Sjieke huiselijkheid.

De Fraeylemaborg is, net als veel andere landhuizen, ingericht alsof de familie die het bewoont tijdelijk elders is. Op visite bij een neef, een bezoekje aan een kuuroord of op een buitenlandse reis. De Daagsche Kamer is de huiskamer van de borg. Men leest er, doet aan handwerken, musiceert of speelt een spelletje..

Meubels uit de ‘lelijke tijd’.

In de Blauwe Logeerkamer van de Fraeylemaborg staan opvallende meubels van gemaakt van beuken- en notenhout. Ze zijn ooit gemaakt voor een andere borg, Ekenstein aan het Damsterdiep bij Appingedam. De meubels zijn grotendeels zwart gelakt. Het fraaie houtsnijwerk is elegant en druk, met krullen, schelpachtige vormen en bloemen. Bijzonder is dat de ornamenten asymmetrisch zijn aangebracht

Kussenkast.

De kussen kolomkast heeft een prominente plek in de eetkamer van de borg Verhildersum. De naam verwijst naar de kussenvormige verhogingen op de deuren en de zijkanten en de drie ebbenhouten kolommen op de voorzijde. Het is een typisch Nederlandse kast uit de de zeventiende eeuw. Het sleutelgat zit goed verborgen en is weggewerkt achter het bovenste deel van de middelste zwarte pilaster of kolom.

Waterdragers in de weer.

In de hoek van de oude borgkeuken van de Fraeylemaborg zit een achttiende eeuwse pomp, met twee grote en twee kleine koperen kranen. Aan de zijkant bevinden zich de pompzwengels. Als je die op en neer beweegt, komt het water omhoog en kan je emmers vullen. De kamermeisjes begonnen al vroeg met het aansteken van het fornuis en zorgden dat er heet water was. Dat brachten ze naar alle slaapkamers.

Handig Hulpje

Deze koperen raamspuit van Museum de Oude Wolden dateert uit de negentiende eeuw en bood de dienstmeid hulp bij het wassen van hoge ramen.

 

Pracht, praal en pronkzucht

De rijkelui van Groningen leefden in weelde en luxe. Het was belangrijk dat men de status van de bewoner kon aflezen. Er werd uitbundig gepronkt. Dit begon al aan de buitenkant van de borg, met lange oprijlanen en prachtig ingerichte stijltuinen. De meest luxueus ingerichte kamers waren die waar het vaakst gasten werden ontvangen. De Groningse adel liet zichzelf statig portretteren, vaak met het interieur of exterieur van de borg op de achtergrond. Het familiewapen werd duidelijk zichtbaar in de residentie verwerkt.

Het wapenschild van de Fraeylemaborg.

Het heeft natuurlijk meer stijl dan alleen maar een naambordje aan de gevel. Een schitterend wapenschild, dat duidelijk maakt dat er achter die gevel niet zomaar de eerste de beste Jan, Piet of Klaas woont. Wie de ophaalbrug over gaat en naar de Fraeylemaborg wandelt, ziet direct een kleurig gekroond wapenschild dat hoog boven de hoofdentree hangt.

Vorstelijke entree.

De hoofdpoort van de borg Nienoord is een van de zeer weinig overgebleven objecten die nog herinneren aan de vroegere borg die op dezelfde plek heeft gestaan, voordat Jonkheer mr. Johan Æmilius Abraham van Panhuys (1836-1907) er in 1884 het huidige buitenverblijf liet bouwen. Nog steeds lezen we boven de ingang de in het zandsteen gebeitelde Latijnse tekst: 'Niet om te wonen maar om te verpozen'.

De kwartierstaat van Verhildersum.

Op de kwartierstaat zoals die hangt in de hal van Verhildersum, zijn tal van wapens van oude adellijke geslachten terug te vinden. Wanneer men vroeger in het ridderschap van de provincie opgenomen wilde worden, dienden de voorouders al generaties lang van adel te zijn. De kwartierstaat is gemaakt op perkament van kalfsleer. Het geeft aan hoe belangrijk de familie was.

De schouwen van de Menkemaborg.

Aan de buitenzijde oogt de Menkemaborg eenvoudig, bijna sober. Een bescheiden volk die bewoners van toen, wars van pronkzucht. Een misverstand. Eenmaal binnen wordt je ondergedompeld in een wereld van overdaad en lijkt vooral het zwierige houtsnijwerk van de schoorsteenmantels zich een weg naar buiten te willen kronkelen, om maar gezien te worden.

Praalbed.

Je komt ze ook wel tegen in chateaus in Frankrijk. Van die buitenmodel hemelbedden, ruim opgesteld in een enorme slaapzaal en waar geen enkele intimiteit of slaapgenot van uitgaat. Maar daar waren ze dan ook niet voor bedoeld. Een dergelijk staatsieledikant was het belangrijkste meubel in het huis. Het vertrek waarin het stond fungeerde niet zozeer als een slaapkamer, maar meer als een kamer om gasten te ontvangen.

Imari porselein.

Het waren twee eeuwen geleden dé smaakmakers bij de maaltijd, toen de tafel nog veel minder exotisch gedekt was als tegenwoordig. En ze stonden ook niet in elk huis naast de dis, in ieder geval niet uit kostbaar porselein geschonken.Deze zeldzame set van Imari porselein van de Jan Menze van Diepen stichting is ooit het pronkstuk op een eettafel geweest.

Rouwservies

Een fraai serviesje uit de collectie van Fredewalda. Het zogenaamde ‘rouwservies’ bestaat uit een theepot met suikerpot, roomkan en spoelkom. De rouwserviezen waren destijds in Engeland erg in trek. De Engelse dames waren verrukt over het contrast tussen het zwart van het servies en de witte huid van hun handen.

Porseleinkast

Natuurlijk ontbreekt in de Menkemaborg –strikt genomen één grote uitstalkast– ook de porseleinkast niet. Rijk gevuld met kwetsbaar aardewerk, mogelijk afkomstig uit de erfenis van Gerhard Alberda van Menkema en Dijksterhuis, de laatste bewoner van de Menkemaborg.

Koperen waterketel

In de negentiende eeuw kost thee zetten en warm houden heel wat meer moeite dan tegenwoordig. Een waterketel met komfoor was een prachtige uitvinding waarmee een boerin goede sier kon maken. De dienstbode bracht ketel en komfoor naar de mooie kamer waar mevrouw zelf theeschonk. En als de gasten later een tweede kopje wensten, dan was dat geen probleem. Het water bleef immers warm dankzij het komfoor.

Portret van de familie Van Starkenborgh.

Zo sta je in vol ornaat en met de hele familie te poseren voor een levensgroot portret als ultieme uiting van je roem en belangrijkheid, zo ligt datzelfde portret decennia lang ergens vergeten op een zolder. Maar sinds 1968 prijkt het familieportret van Allard Tjarda van Starkenborgh uit 1670 weer ten voeten uit in de borg Verhildersum en weet het nog steeds te imponeren.

Portret van Henric Piccardt

De Fraeylemaborg, nu een museum, was eeuwenlang een woonhuis van stand. Een bijzonder echtpaar zwaait rond 1700 de scepter: Henric Piccardt en Anna Elisabeth Rengers. Hun portretten zijn door Herman Collenius (1650-1723) geschilderd op koper.

Het adellijke buitenleven

Veel borgen werden omringd door prachtige stijltuinen. Bezoekers en bewoners van de borg konden hier in hun vrije tijd in rondlopen. Aan het einde van de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw was de baroktuin in de mode. Dit waren statige, symmetrisch aangelegde tuinen. Bij een baroktuin liggen de tuin en het huis in elkaars verlengde. Een van de kenmerken van zo’n tuin is de hoofdas die dwars door de tuin en het huis ligt. Op Landgoed Verhildersum en de Menkemaborg worden nog zulke tuinen onderhouden.

In de loop van de achttiende eeuw had de adel het wel gezien met de strakke symmetrie van de baroktuin. De Romantische periode bracht een nieuwe waardering voor de wilde natuur in al haar glorie: Men wilde een Engelse Landsschapstuin. Deze tuinstijl werd gekenmerkt door de slingerpaden, asymmetrische vijvers en bomen die wild konden groeien. Sommige borgbewoners kleedden hun tuin aan met kleine, vrijwel nutteloze gebouwtjes die ‘follies’ werden genoemd.

Wanneer de adel op reis ging – bijvoorbeeld naar hun stadspaleizen in Groningen - deden zij dit uiteraard ook in stijl: met de koets. Deze kwamen in vele vormen en maten. Sommige koetsen waren eenvoudige tweezitters. Andere waren weer groot en luxueus, met veel ruimte. In de winter was bovendien de slede erg populair.

Baroktuin.

Rondom de Menkemaborg ligt een statige tuin in barokke stijl. Zulke tuinen werden aangelegd volgens een strakke symmetrie. Men deed dit om te laten zien dat de mens de baas was over de natuur. Vanuit het buitenland brachten de borgbewoners bijzondere bloemsoorten, zoals sneeuwklokjes en vingerhelmbloemen, mee. In het voorjaar zie je deze ‘börgblaumkes’ dan ook vooral in de buurt van borgen groeien.

‘De Hazelnoot’.

Het woord 'folly' komt uit het Engels en betekent 'dwaasheid'. Zo’n bouwwerk is niet bedoeld om in te wonen of te werken, maar staat daar gewoon omdat het leuk is om iets origineels te bouwen. Follies verschijnen al vanaf de achttiende eeuw in Engelse landschapstuinen in heel Europa. De follies in de landschapstuin van de Fraeylemaborg zijn echter slechts enkele jaren geleden naar aanleiding van een wedstrijd gebouwd.

739

Flora.

In de tuin van de Fraeylemaborg staat een beeld van Flora. Flora is de godin van de bloemen, planten en van de groeikracht van de natuur. Het achttiende-eeuwse beeld is gemaakt van zandsteen en staat bevallig op een sokkel. Het heeft een opvallende plek helemaal achterin het park op 1,3 kilometer van de borg, midden in de centrale zichtas. Veel wandelpaden leiden naar haar toe. Op haar linkerarm draagt ze bloemen.

De Schelpengrot.

De schelpengrot bij de borg Nienoord is nog een voorbeeld van een folly. Rondtrekkende Italiaanse stucadoors toverden rond 1700 het toen eenvoudige tuinkoepeltje om tot een uniek en buitengewoon vertrek. Ooit waren aan beide zijden vleugels aangebouwd, waarin ’s winters de exotische planten uit de borgtuinen werden opgeborgen.

Sjees.

Het woord sjees is een Nederlandse verbastering van het Franse woord chaise (stoel). De West-Friese sjees in de collectie van het Nationaal Rijtuigmuseum is afkomstig uit Spankeren. Ze is een volwaardige en rijke representant van dit rijtuigtype, dat in Nederland veel gebruikt werd door de adel en de gegoede burgerij, waaraan men de status van zijn bezitter kon aflezen.

Koninklijk Rijtuig.

De Koninklijke coupé in de collectie van het Nationaal Rijtuigmuseum heeft toebehoord aan Koning Willem I is en naar alle waarschijnlijkheid de oudste Koninklijke coupé in Nederland. Toen de Oranjes na een verbanning van achttien jaar, in 1813 konden terugkeren naar Holland moest Koning Willem I een geheel nieuwe hofhouding, inclusief Staldepartement opbouwen. Deze coupé behoorde daartoe.

Spijkerslede.

Deze slede is speciaal gemaakt voor een van de commissarissen van bestuur van het bedrijf van de gebroeders Spijker. Het was typisch een slede om mee te showen, een Ferrari onder de sleden. Rond 1900 kon men deze aanspanning dan ook vaak tegenkomen in het Amsterdamse Vondelpark.

Deze pagina delen facebook twitter pinterest Embed