De uitvinding van de kopieerpers hebben we te danken aan de Schotse ingenieur James Watt

De kopieerpers in de collectie van het Vestingmuseum Nieuweschans dateert van rond 1860. Ze is voorzien van een drukplaat tot A4-formaat, waarmee ongetwijfeld talloze platen zijn gedrukt. Maar wellicht ook… papierbriketten voor de kachel.

‘Sedert ik mij van eene kopieerpers bedien, ontvangt U de primeur der opstellen, die ik voor mijne Indische courant schrijf’. Alzo schreef Conrad Busken Huet (1826-1886) in zijn brief van 21 oktober 1879 aan de uitgever van het tijdschrift Nederland. De uitvinding van de kopieerpers hebben we te danken aan de Schotse ingenieur James Watt (1736-1819), die we allemaal kennen van zijn andere geniale uitvinding: de stoommachine.

De kopieerpers is meestal gemaakt van gietijzer. De zwaardere exemplaren hadden gaten aan de bodemplaat zodat ze konden worden vastgeschroefd aan een werkbank. De drukplaat werd vaak met een schroefhendel naar beneden gedraaid. De grote bolle knoppen aan de uiteinden van de hendel waren functioneel. Met één flinke zwiep kon de plaat zo op en neer worden gedraaid en dat scheelde werktijd!

Tussen de beide platen lagen brieven of nota’s, geschreven met kopieerinkt, geklemd tegen dun kopieerpapier, met aan de achterzijde vochtige lappen. Dat was een nauwkeurig werkje want waren de lappen te droog, dan kwam er niet veel over op het kopieerpapier. En waren ze te nat, dan vloeide de inkt uit en waren de brieven en nota's bijna niet te lezen.

Behalve de kopieerfunctie was het apparaat ook handig voor andere taken waarbij enige druk noodzakelijk was. Zo werden er tijdens de Eerste Wereldoorlog in verband met de brandstofschaarste papierbriketten mee geperst, gemaakt van oude in zout water geweekte kranten.

Hoge resolutiefoto's Download object

Deze pagina delen facebook twitter pinterest Embed